Als je een tekst in een vreemde taal typt, kun je geconfronteerd worden met allerlei vreemde tekens die je niet gewoon bent en die niet op je toetsenbord staan. In een later artikel zullen we het hebben over hoe je al die vreemde tekens op een efficiënte manier kunt typen, maar eerst zullen we eens kijken om welke tekens het precies gaat. We zullen ze taal per taal overlopen voor alle West-Europese talen.
In het eerste artikel van deze reeks behandelen we de vier talen waar we het meest vertrouwd mee zijn: Nederlands, Engels, Frans en Duits. De overige talen bewaren we voor een volgend artikel.
Nederlands
Bij Nederlandse woorden die in de officiële woordenlijst van de Nederlandse taal staan (het ‘Groene Boekje’), kunnen zes verschillende accenten voorkomen, ook wel ‘diakritische tekens’ genoemd: het accent aigu (bv. café), het accent grave (bv. carrière), het trema (bv. België), de circumflex (bv. enquête), de cedille (bv. façade) de tilde (bv. piñata).
Het trema wordt ook wel deelteken genoemd; de circumflex wordt ook wel accent circonflexe of kortweg circonflexe genoemd, of ook nog: dakje.
Het accent aigu, het accent grave, de circumflex, de cedille en de tilde komen voornamelijk voor bij woorden van vreemde herkomst, zogenaamde leenwoorden. Het accent aigu wordt daarnaast ook gebruikt om woorden of lettergrepen te beklemtonen (bv. één, vóór, ná). Het trema wordt vaak gebruikt bij klinkerbotsingen (bv. beïnvloeden, tweeënveertig, coördineren, ruïne, vacuüm) en is onmisbaar voor de uitspraak.
Ook woorden die uit het Duits afkomstig zijn, bevatten vaak een trema, maar in dat geval spreken we beter van een umlaut, zoals in het Duits (bv. föhn, glühwein – in het Nederlands schrijven we die woorden overigens zonder hoofdletter).
In Nederlandse woorden kun je het accent aigu, het accent grave, het trema en de circumflex tegenkomen op de klinkers a, e, i, o en u; de cedille enkel onder de letter c, bij leenwoorden uit het Frans of Portugees; de tilde enkel op de letter n, bij leenwoorden uit het Spaans. Bij een accent op de letter i valt het puntje boven de i weg; het accent komt in de plaats. Het puntje zelf is geen accent, maar maakt een integraal deel uit van een (accentloze) i.
Ook de cedille, die je enkel onder een letter c vindt in een aantal leenwoorden die uit het Frans of Portugees afkomstig zijn (bv. façade, reçu, Curaçao), is eigenlijk een accent. We zijn het meest vertrouwd met accenten die bovenop een letter geplaatst worden, maar dat is (vooral in andere talen dan het Nederlands) lang niet altijd het geval. Ook de cedille is strikt genomen een accent, en het wordt niet boven, maar onder de letter geplaatst.
Wanneer je een woord of lettergreep benadrukt, gebruik je altijd een accent aigu, nooit een accent grave. Soms zie je dat ten onrechte een accent grave gebruikt wordt, zo lees je wel eens ‘nà’ i.p.v. ‘ná’. Dat is een onfortuinlijk overblijfsel uit het schrijfmachinetijdperk. Op een azertyklavier heeft de à immers een aparte toets (omdat de a-grave vaak voorkomt in het Frans), de á niet. Daarom gebruikten typisten gemakshalve maar de a-grave. Een andere mogelijkheid was er niet, want een accent aigu kon je met een Belgische schrijfmachine op geen enkele andere letter typen dan op een e.
Een ander fenomeen is dat, eveneens ten onrechte, woorden als ‘de’ en ‘het’ soms benadrukt worden als ‘dè’ of ‘hèt’ i.p.v. ‘dé’ en ‘hét’. Dat heeft dan weer een andere reden. In het Frans wordt de e-aigu immers altijd uitgesproken als een lange ee. Daarom denken veel mensen dat je een woord als ‘dé’ zou moeten uitspreken als ‘dee’. Dat klopt natuurlijk niet. Ook wanneer je het lidwoord ‘de’ beklemtoont door er een accent aigu op te plaatsen, blijf je een doffe e horen, maar dan benadrukt. Bijvoorbeeld: Top-Typers is niet zomaar een blog voor wedstrijdtypisten, het is dé blog voor wedstrijdtypisten!
Belangrijk: in tegenstelling met wat sommigen denken, mag je accenten niet zomaar weglaten op hoofdletters.
Engels
Het Engels is ongetwijfeld de gemakkelijkste vreemde taal om te typen. Het Engels is namelijk de enige West-Europese taal die geen accenten (meer) gebruikt, op een bijzonder klein aantal uitzonderingen na. Die uitzonderingen zijn allemaal leenwoorden die uit andere talen afkomstig zijn (bv. piñata).
Vroeger werd in het Engels gebruikgemaakt van het trema bij klinkerbotsingen (bv. coöperation), maar die schrijfwijze is in onbruik geraakt. Tegenwoordig gebruikt men een koppelteken (co-operation) of laat men het trema gewoon weg (cooperation).
Frans
Het azertyklavier is ontworpen voor de Franse taal, dus Belgische typisten zullen hier geen moeilijkheden ondervinden. In het Frans worden dezelfde accenten gebruikt als in het Nederlands: het accent aigu, het accent grave, het accent circonflexe, het trema, de tilde en de cedille. Het trema komt maar heel zelden voor, en de tilde, net als in het Nederlands en Engels, enkel in Spaanse leenwoorden (bv. piñata).
In het Nederlands schrijven we ‘trema’ en ‘cedille’ (zonder accent aigu); in het Frans schrijven we ‘tréma’ en ‘cédille’ (met accent aigu).
De cedille komt enkel voor onder de letter c, en dient om de uitspraak van de c te veranderen van k naar s. In het Frans is er namelijk een uitspraakregel die zegt dat de c als een s uitgesproken wordt vóór een e of een i, en als een k vóór een a, een o of een u. Met een cedille wordt aangegeven dat de ç vóór een a, een o of een u niet als een k, maar als een s uitgesproken wordt.
Wat het Frans onderscheidt van de meeste andere talen die accentletters gebruiken, is dit: in het Frans mogen (niet moeten!) accenten weggelaten worden bij hoofdletters. Dat is een bijzonder vreemde regel, aangezien het accent in de meeste gevallen onmisbaar is voor de correcte uitspraak van een woord. In getypte teksten (en dus ook in opgaventeksten voor typewedstrijden) worden doorgaans geen accenten op de hoofdletters gezet, omdat een Frans azertyklavier enkel voor de kleine letters aparte accentlettertoetsen heeft. In gedrukte teksten worden meestal wél hoofdletters met accenten gebruikt.
Door deze Franse regel denken veel mensen dat je ook in het Nederlands accenten mag weglaten op hoofdletters, en dat je dus bv. ‘BELGIE’ mag schrijven. Dat is echter niet zo. In het Nederlands, zoals in de meeste andere talen, mag je accenten niet zomaar weglaten, ook niet op hoofdletters! Schrijf dus steeds: ‘BELGIË’.
Behalve accenten heeft het Frans heeft ook nog een extra letter: de œ, een ligatuur samengesteld uit de letters o + e. Je bent die letter vast al tegengekomen in woorden als sœur of œuf. Er is ook een hoofdlettervariant: Œ. Op een schrijfmachineklavier komt deze letter niet voor, en daarom zul je hem ook niet tegenkomen in opgaventeksten voor typewedstrijden. Daar wordt hij vervangen door o + e (of O + E).
Duits
Het Duits kent eigenlijk maar één accent: de umlaut. In het Nederlands schrijven we ‘umlaut’ met een kleine letter, maar in het Duits schrijven we ‘Umlaut’ natuurlijk met een hoofdletter, zoals alle zelfstandige naamwoorden. Je kunt een umlaut tegenkomen op de klinkers a, o en u.
Andere accentletters komen in het Duits niet voor, behalve zeer uitzonderlijk op een beperkt aantal leenwoorden (bv. Café, Piñata).
Soms worden de umlauten weggelaten en vervangen door een e achter de klinker die normaal gezien een umlaut zou krijgen, bv. ÖSTERREICH wordt OESTERREICH, Händel wordt Haendel, Münster wordt Muenster. Dat gaat terug op de oorspronkelijke schrijfwijze van die woorden, vóórdat men de umlaut is gaan gebruiken. In de middeleeuwen werd de umlaut nog niet gebruikt, en toen had men bij dubbele klinkers de gewoonte om de tweede klinker niet naast, maar boven de eerste te schrijven. Men schreef dus bijvoorbeeld niet Muenster, maar Munster met een kleinere letter e boven de u. Uiteindelijk is die kleine e geëvolueerd naar twee puntjes en is op die manier de umlaut ontstaan.
Let op: in eigennamen mag je niet zomaar ae vervangen door ä, oe door ö of ue door ü. Net zoals er in het Nederlands (vooral in Vlaanderen) verschillende schrijfwijzen bestaan voor eigennamen die hetzelfde klinken, is dat ook zo in het Duits. Iemand kan dus bv. Müller heten (met umlaut), terwijl iemand anders Mueller heet (zonder umlaut, maar met ue). De naam van de eerste persoon (Müller) mag je schrijven als Mueller, wanneer je ook alle andere umlauten in de tekst vervangt door een e na de klinker, maar de naam van de tweede persoon (Mueller) mag je nooit schrijven als Müller! Zo wordt de naam van de grote dichter Goethe ook altijd zonder umlaut geschreven.
Maar het Duits heeft ook nog een extra letter: de ß (Eszett of ‘sharfes s’). In het Nederlands spreekt men ook wel van ‘Ringel-s’, maar die term hebben de meeste Duitsers nog nooit gehoord. De ß komt in geen enkele andere taal voor en is eigen aan het Duits. De letter is als ligatuur ontstaan uit de lettercombinatie s + z (Es + Zett), waarbij een archaïsche variant van de letter s werd gebruikt, de zogenaamde ‘lange s’, die eruitziet als een letter f zonder dwarsstreepje. Zo’n lange s (ſ) gevolgd door een z ziet er zo uit: ſz, wat na verloop van tijd geëvolueerd is tot ß.
Vroeger kwam de ß tamelijk vaak voor in het Duits, maar tegenwoordig is dat al heel wat minder. Sinds de Duitse spellinghervorming van 1996 werd de ß immers vervangen door ss wanneer de ß voorafgegaan wordt door een korte klinker. Vroeger schreef men daß en muß; tegenwoordig schrijft men dass en muss.
De ß wordt overigens enkel nog gebruikt in Duitsland en Oostenrijk. In het Duitstalige deel van Zwitserland schrijft men altijd een dubbele s (ss) in plaats van een Eszett (ß). Op straatnaambordjes in Duitsland vind je dus ‘Straße’, op Zwitserse straatnaambordjes lees je ‘Strasse’.
Oorspronkelijk bestond er geen hoofdlettervariant voor de Eszett. Dat komt doordat deze letter nooit aan het begin van een woord kan voorkomen. Dan heb je in principe geen hoofdletter nodig, maar dan heb je natuurlijk wel een probleem wanneer je bijvoorbeeld een titel volledig in hoofdletters wilt plaatsen. Wat doe je dan met de Eszett? Welnu, vroeger werd de Eszett in hoofdlettertekst veelal vervangen door SS, in andere gevallen (meer bepaald in eigennamen) werd gewoon de (kleine letter) Eszett behouden (bv. STRAUß).
Sinds 2017 bestaat er echter een officiële hoofdlettervariant van de Eszett: ẞ. Die letter ziet er bijna hetzelfde uit als een kleine Eszett, maar is wat breder zodat hij beter bij de andere hoofdletters past (bv. STRAUẞ). Let op: verwar de Duitse Eszett niet met de Griekse letter bèta (β)! Om het verschil duidelijk te laten zien, zet ik ze hieronder nog eens alle drie op een rij: links de gewone Eszett, in het midden de hoofdletter Eszett en rechts de Griekse bèta:
ß ẞ β
Bij wijze van experiment kun je eens de regel hierboven kopiëren en plakken in een tekstdocument. Pas vervolgens verschillende lettertypen toe. Je zult merken dat de verschillen in het ene lettertype al wat groter of kleiner zijn dan in het andere.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten